Een ziekte en alle lichamelijke ongemakken die dit met zich meebrengt, staat meestal niet op zichzelf als grootste impact op iemands leven. De kleine dingen die erbij komen kijken, echter wel.

Ik worstelde met mijn ideeën over bestaansrecht. Want wie ben ik nog, als ik niet meer kan wat ik vroeger altijd deed? Wie ben ik nog, als ik mijzelf niet meer kan verschuilen achter de termen ‘scholier’, ‘danser’, en in de toekomst hopelijk ‘student’ of ‘psycholoog’? Ik was niets en ik had ook niet het uitzicht dat ik nog iets zou worden.
Niets in die orde, althans.

En dan moet je bouwen. Bouwen aan je eigen Zijn. Want ik ben Elianne. Eigenwijs, een doorzetter, een positieveling en soms ook best wel grappig. Maar het duurde lang voor ik dat kon vatten. Met 14 jaar ontleen je jouw eigenwaarde aan je imago. Aan het soort kleding dat je draagt, het niveau dat je op school doet en de hobby’s die je beoefent. Als dit alles wegvalt en je de dagen doorbrengt in bed of op de bank, blijft er in feite niks anders over dan je ziekte en alle dingen die je niet meer kunt.
Dat was niet iets om trots op te zijn.

Met mijn ziekte, wist ik niet meer hoe ik mijzelf een plek in de maatschappij moest geven. Ik wist niet meer hoe ik mijn ‘ik’, moest vormgeven. Mijn tienerleventje stond op zijn kop en ik belandde aan de zijlijn. De zijlijn waar ik nooit voor had gekozen en waar ik mijn plek niet kon vinden. Want ik had grootse dromen.
Ik wilde iets betekenen in de wereld. Ik wilde geven, niet nemen. Toen dit alles niet meer leek te kunnen en ‘men’ mij ook nog eens het stigma ‘tussen de oren’ had toebedeeld, kreeg ik de overtuiging ik dat ik dan ook niet meer toe te voegen had op deze aardbol – ik was ziek en ik had het klaarblijkelijk, ook nog eens zelf gedaan.
Dit bracht mij in een intern conflict waar ik met mijn puberbrein niet uit kwam. Zo kreeg de Anorexia vaste bodem en het ging van kwaad tot erger. Niet-eten werd mijn enige houvast in een leven en een lichaam, waar ik geen regie over leek te hebben.

Mijn lichaam en mijn Ik verdwenen kilo voor kilo. Ik dacht dat ik er goed aan deed, maar ik realiseerde mij niet dat ik in wezen het tegenovergestelde had bereikt. Het laatste beetje van mijn Zijn verdween in het systeem dat ‘Anorexia’ heet. En in plaats van minder ruimte innemen – en zo, mijn inziens, minder lastig zijn – nam ik meer ruimte in. Want iedereen maakte zich grote zorgen om mijn gezondheid en een gewicht dat op mijn dieptepunt nog maar een luttele 33 kilo bedroeg.

Het heeft me een lange tijd gekost, om mijn leven vorm te geven, en nog steeds is dit een proces van vallen en opstaan. Om te ontdekken wie ik nog was, zonder titel en met een beperking.

Herstellen van een eetstoornis heb ik lange tijd voor me uitgeschoven, want dit was in mijn ogen ‘zonde van mijn tijd’. Gezond worden en weer kunnen lopen, zou ik met een gezond gewicht immers toch niet terugkrijgen. Ik deed dan ook niet erg mijn best tijdens mijn eerste behandelingen en ik liep geregeld weg. Ik vocht tegen het team en vooral tegen de kilo’s. Want in mijn ogen was herstellen van een eetstoornis, enkel verlies. Mijn eetstoornis was op dat moment, voor mij nog mijn enige identiteit. En de enige erkenning van mijn toen nog ‘niet bestaande’ ziekte – wat later Lyme bleek te zijn. Want met fors ondergewicht had ik op andere wijze, toch een soort van legitieme reden om ‘ernstig ziek’ te zijn.

Als je te maken krijgt met een beperking, wordt je geconfronteerd met een rouwproces waar je niet omheen kunt. Je kunt ertegen vechten. Je kunt het weigeren. Maar om verder te komen, moet je er uiteindelijk toch dwars doorheen.

Als je ziek wordt, krijg je te maken met woorden als ‘acceptatie’. Een woord waar ik een vreselijke hekel aan had en dat niet in mijn woordenboek voorkwam. Want ik dacht, als eigenwijze puber, dat het woord acceptatie niets meer betekende dan: ‘stoppen met vechten en je neerleggen bij de situatie. Met als gevolg dat je situatie nooit meer beter wordt’.
Ik weigerde mij neer te leggen bij het feit dat ik dingen niet meer kon. Ik bleef vechten, meestal tegen de bierkaai in, omdat ik mijn leven niet wilde aanpassen naar het leven met een beetje minder. En de Anorexia was gek genoeg een middel, om het gevoel te hebben dat ik de regie in eigen hand had. Dat gaf mij het gevoel dat ik nog steeds iets te kiezen had, in een keuze die er in wezen helemaal niet was – maar die ik op dat moment nog niet kon aanvaarden.

Na het vechten met een ziekte die mij ongelukkigerwijs was toebedeeld, kon ik niet anders dan dit proces aangaan. Ik ging er eenvoudigweg aan onderdoor. Al die jaren waren mensen onder de indruk van mijn vermogen om positief te blijven, mijn kracht- en doorzettingsvermogen, die ik aan de buitenkant liet zien en die ik ook mijzelf vaak genoeg met volle overtuiging voorhield. Maar diep vanbinnen was ik stuk en wist ik niet hoe ik mijn bestaan enige betekenis kon geven. Pas toen ik het proces van acceptatie toeliet, liep ik fases door van intens verdriet, boosheid en rouw om het verlies dat ik in wezen had geleden. Gevoelens die ik nooit had toegelaten en die in mijn ogen altijd ‘zinloos’ waren (want ‘huilen is voor watjes’).

En man, wat heb ik er al die tijd naast gezeten.

Mensen in mijn omgeving moesten deze periode een heel kort lontje incasseren. Boosheid, onmacht, wanhoop, frustratie en intens diep verdriet hadden nooit de kans gehad om een uitweg te vinden. En als ze er al waren, richtte ik deze destructief op mijzelf.
Nu kwamen ze allemaal voorbij. Dat is geen makkelijk proces en ook nu kukelde ik toch weer even helemaal omver. Ik dacht dat ik alles wel zo’n beetje had gehad, maar zodra ik voet in het leven probeerde te zetten en het erop leek dat er aan dit proces geen ontkomen meer aan was, leek de Anorexia toch een beter alternatief.

Het was erop of eronder, deze keer. Ik doorliep dieptes waarvan ik niet wist dat ze bestonden. Ik woog weer veel te weinig en mijn skills op gebied van niet-eten bereikten een nieuw hoogtepunt. De eetstoornisklinieken bestempelden mijn eetstoornis als ‘onbehandelbaar’, en stuurden mij met onverrichte zaken weer naar huis. Dat was het moment dat ik besloot dat ik er niet meer omheen wilde manoeuvreren. Ik moest dóór. Het ging met vallen en opstaan. Maar ik ben geen opgever, dat is inmiddels wel gebleken.

Het leven met een beperking probeer ik voorzichtig aan vorm te geven, hoewel ik eerlijkheidshalve moet toegeven dat het niet altijd meevalt. Vooral de confrontatie met de maatschappij waarin je beperking eigenlijk niet gewenst is, brengt me nogal eens aan het wankelen. Ik wil zelfstandig zijn. Laten zien dat ik bepaalde dingen niet kan vind ik vreselijk – net als ieder andere 26-jarige. Maar als je door ziekte beperkt wordt, lijkt zelfstandigheid en kwaliteit van leven niet vanzelfsprekend. En voor mij is het iedere keer opnieuw mezelf voorhouden dat mijn ongewenste ziekte, niet betekent dat ik als persoon ongewenst ben.
Hoewel dit gevoelsmatig bijzonder dicht bij elkaar kan liggen, zo nu en dan.

Gelukkig zijn is een groot goed, maar geluk als staat van Zijn, is eigenlijk voor niemand weggelegd. Het leven heeft nu eenmaal altijd zijn mooie en minder mooie momenten. Want dat is wat het leven, het leven maakt. In staat zijn om geluk te ervaren en te vangen, heeft daarentegen misschien wel veel meer waarde. Want ziek zijn heeft zijn beperkingen en leuk zal het nooit worden, daar kunnen we niet omheen. Ook ik heb nog steeds mijn momenten, maar ik word er wel steeds beter in om hiermee om te gaan. Ik heb op een dag besloten niet langer slachtoffer te willen zijn van de ziekte die mij is overkomen. Want je bent pas slachtoffer, als je zelf toestaat dat de ziekte je slachtoffer maakt van je eigen situatie. Dat is een wilsbesluit en niet iets wat je komt aanwaaien. Een wilsbesluit die je iedere dag opnieuw moet maken en wat niemand anders voor je kan doen.

Ik ben eigenwijs en dat heeft vaak genoeg tegen me gewerkt. Het heeft mijn leven wellicht op sommige momenten zelfs onnodig lastig gemaakt. Maar ik was ook eigenwijs genoeg om te willen herstellen van een eetstoornis en mijn leven in eigen hand te nemen, op het moment dat sommigen er niet meer in geloofden. Ik was eigenwijs genoeg om op een dag te besluiten geen slachtoffer meer te willen zijn, van een ziekte waar ik niet voor had gekozen, maar die ik noodzakelijkerwijs wel een plek moet geven binnen mijn leven.

Ik ben Elianne. Een jongvolwassen vrouw van 26 jaar. Ik woon op mezelf en ik zorg voor mezelf. Ik heb nog steeds diezelfde dromen en idealen, die ik vroeger als tiener najoeg. Ik wil nog steeds iets betekenen in het leven. Zinvol zijn. Maar inmiddels heb ik ook geleerd dat alle titels die je in het leven kunt behalen, in feite niet veel meer zijn dan letters gebakken lucht op papier. Het gaat er niet om wat je hebt behaald, maar om wie je bent en hoe je in het leven staat. Want in de essentie zijn we allemaal niets meer dan eenvoudigweg:
Ik Ben.

Pic made by Eva Velt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

%d bloggers liken dit: